De opgravingen

Bij graafwerken in 1966 aan een woonhuis bij de “Trou Pautry” (tegenover de kapel Onze-Lieve-Vrouw van Luxemburg) stootte men op de resten van de oude vesting. Alfred Leroy uit Chiny en Arsène Geubel uit Neufchâteau, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, toonden de noodzaak aan voor verder onderzoek.
In 1967 en 1968 werden onder J. Mertens en Fr. Bourgeois de slotgracht, de westelijke omwalling en de priorij bij de oude begraafplaats bestudeerd. In 1976, bij opzoekingen naar de versterkingen van de Semois startten nieuwe opgravingen door A. Matthys en G. Hossey. Daarbij besteedde men aandacht aan de opeenvolgende versterkingen van de burcht.

A. MATTHYS et G. HOSSEY, Le castrum comtal de Chiny, Archaeologia Belgica, 211, Bruxelles, 1979, p. 3

Prentbriefkaart uit begin 20ste eeuw.

Inwoners in de Rue du Vivier, de vroegere vestinggracht, uitgedost voor de foto.

Opgravingen 1967: een sleuf halverwege de oostelijk en westelijke verdedigingstoren legt de fundering bloot van een muur van 1,75 m breed en 1,50 m hoog (zie ook volgende foto’s).

Opgravingen 1967: basis van de oostelijke verdedigingstoren gelegen op het terrein van dhr. Deletaille. Na de opgravingen werd alles gedempt.

Sommige inwoners rond de Rue du Vivier hebben geregeld grondwater in de kelder. Het probleem was al gekend ten tijde van de opgravingen. Een roedeloper uit het Quartier du Fort, Marcel Thiry, vond met zijn wichelroede de bron die de problemen veroorzaakte, vlak bij de westelijke verdedigingstoren (zie ook volgende foto).